vrijspreken

Dutch

Etymology

From vrij + spreken.

Pronunciation

  • (file)

Verb

vrijspreken

  1. to absolve, acquit
    De rechter heeft de verdachte vrijsproken wegens gebrek aan bewijs.
    The judge acquitted the suspect due to lack of evidence.
    Na een grondig onderzoek werd de beschuldigde vrijsproken van alle aanklachten.
    After a thorough investigation, the accused was absolved of all charges.
    Het jurypanel heeft de beklaagde unaniem vrijsproken van de beschuldigingen.
    The jury panel unanimously acquitted the defendant of the charges.
    Hij werd onterecht beschuldigd, maar uiteindelijk werd hij vrijsproken door de rechtbank.
    He was wrongly accused, but in the end, he was acquitted by the court.
    Na een langdurig proces werd de verdachte eindelijk vrijsproken van alle aanklachten.
    After a lengthy trial, the defendant was finally absolved of all charges.

Inflection

Inflection of vrijspreken (strong class 4, separable)
infinitive vrijspreken
past singular sprak vrij
past participle vrijgesproken
infinitive vrijspreken
gerund vrijspreken n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular spreek vrijsprak vrijvrijspreekvrijsprak
2nd person sing. (jij) spreekt vrijsprak vrijvrijspreektvrijsprak
2nd person sing. (u) spreekt vrijsprak vrijvrijspreektvrijsprak
2nd person sing. (gij) spreekt vrijspraakt vrijvrijspreektvrijspraakt
3rd person singular spreekt vrijsprak vrijvrijspreektvrijsprak
plural spreken vrijspraken vrijvrijsprekenvrijspraken
subjunctive sing.1 spreke vrijsprake vrijvrijsprekevrijsprake
subjunctive plur.1 spreken vrijspraken vrijvrijsprekenvrijspraken
imperative sing. spreek vrij
imperative plur.1 spreekt vrij
participles vrijsprekendvrijgesproken
1) Archaic.

Anagrams

This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.