overschreeuwen

Dutch

Etymology

From over- (over-) + schreeuwen (to shout, scream).

Pronunciation

  • IPA(key): /ˌoː.vərˈsxreːu̯ə(n)/
  • (file)
  • Rhymes: -eːu̯ən

Verb

overschreeuwen

  1. (transitive) to shout or scream louder than
  2. (transitive) to excessively shout or scream

Inflection

Inflection of overschreeuwen (weak, prefixed)
infinitive overschreeuwen
past singular overschreeuwde
past participle overschreeuwd
infinitive overschreeuwen
gerund overschreeuwen n
present tense past tense
1st person singular overschreeuwoverschreeuwde
2nd person sing. (jij) overschreeuwtoverschreeuwde
2nd person sing. (u) overschreeuwtoverschreeuwde
2nd person sing. (gij) overschreeuwtoverschreeuwde
3rd person singular overschreeuwtoverschreeuwde
plural overschreeuwenoverschreeuwden
subjunctive sing.1 overschreeuweoverschreeuwde
subjunctive plur.1 overschreeuwenoverschreeuwden
imperative sing. overschreeuw
imperative plur.1 overschreeuwt
participles overschreeuwendoverschreeuwd
1) Archaic.
This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.