gezin
Dutch
Etymology
From Middle Dutch ghesinde, from Proto-Germanic *gasinþiją, hence related to zenden (“to send”). Compare German Gesinde (“household”).
Pronunciation
- IPA(key): /ɣəˈzɪn/
audio (file) - Hyphenation: ge‧zin
- Rhymes: -ɪn
Noun
gezin n (plural gezinnen, diminutive gezinnetje n)
- immediate family or nuclear family
- Men zegt vaak dat het gezin de hoeksteen van de samenleving is.
- It is often said that the nuclear family is the cornerstone of society.
- Men zegt vaak dat het gezin de hoeksteen van de samenleving is.
Synonyms
Derived terms
- eenoudergezin
- gezinshereniging
- gezinshoofd
- gezinshulp
- gezinsleven
- gezinslid
- gezinssituatie
- gezinsuitbreiding
- gezinsverband
- gezinsvoogd
- gezinsvorming
- huisgezin
- meeroudergezin
- pleeggezin
- samengesteld gezin
- stiefgezin
Anagrams
This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.