belastingbetaler
Afrikaans
Etymology
From Dutch belastingbetaler. Equivalent to belasting (“tax”) + betaler (“payer”).
Pronunciation
Audio (file)
Dutch
Pronunciation
- IPA(key): /bəˈlɑs.tɪŋ.bəˌtaː.lər/
(file) - Hyphenation: be‧las‧ting‧be‧ta‧ler
Noun
belastingbetaler m (plural belastingbetalers)
- taxpayer [from 19th c.]
- De belastingbetaler zal deze kosten uiteindelijk dragen. ― The taxpayer will ultimately bear these costs.
- Als belastingbetaler heb ik het recht om te weten waar mijn geld naartoe gaat. ― As a taxpayer, I have the right to know where my money is going.
- De overheid moet verantwoordelijkheid tonen tegenover de belastingbetalers. ― The government should show accountability to the taxpayers.
Descendants
- Afrikaans: belastingbetaler
This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.